GESCHIEDENIS VAN DE TANGOMUZIEK

Orquesta Típica Francisco Canaro

Orquesta Típica Francisco Canaro

HET BEGIN (1880-1900)

De oudste tango´s ontstonden rond 1880 in de buitenwijken van Buenos Aires en Montevideo. De eerste gezelschappen waren trio´s en bestonden veelal uit viool, fluit en gitaar; dit waren instrumenten die makkelijk konden worden verplaatst. Belangrijke invloeden waren de Spaanse flamenco, de Italiaanse belcanto, de Afrikaanse ritmes vanuit de Uruguaanse candombe en later de Duitse bandoneón.

In de melting pot van Buenos Aires werd de tango een muziek en dansgenre met een sterk mediterraan karakter die doordrenkt was door hartstocht en heimwee. Aanvankelijk moest de heersende klasse in het sterk katholieke Argentinië niets hebben van de tango die voor vele zedeprekers veel te intiem en aanstootgevend was.

De compadre (compadrito) verscheen ten tonele, de gaucho uit de provincie die in de verstedelijking van het Argentinië van eind 19e eeuw een nieuw clichébeeld introduceerde: dat van de messentrekkende, verarmde maar gesoigneerde, vrouwenversierende en tangodansende ploert uit de buitenwijk van de grote stad die Bs As inmiddels geworden was. In de bordelen kwam de hogere en de lagere klasse voor het eerst gezamenlijk in contact met de tango. Daar golden heel andere normen: in alle rust konden daar nieuwe, buitenissige danspassen en omstrengelingen worden uitgeprobeerd, evenals van alcohol vergeven, schunnige teksten. Er was voldoende champagne en cocaïne…De tango was op weg naar de beau monde, het was de tijd van de vroege tango, de Guardia Vieja, die rond de eeuwwisseling ontstond.

GUARDIA VIEJA (1900-1925)

De eerste grote tango-artiesten waren Angel Villoldo, Francisco Lomuto, Francisco Canaro, Juan de Dios Filiberto,die begin 20e eeuw de eerste tango orkesten formeerden. Later leggen ook conservatorium-musici uit de hogere kringen zich toe op de tango. Naar Parijs voorbeeld ontstaan de eerste cabarets. Pianist Roberto Firpo (eerste tangopianist) treedt in 1910 op aan de Avenida de Mayo met het eerste grote orkest, het zogenaamde Orquesta Típica. Hij is ook de arrangeur van de beroemdste tango aller tijden, ‘La Cumparsita’ van de Uruguayaan Gerardo Matos Rodríguez. Er ontstond een meer melodieuze tango met strakke ritmes, die goed dansbaar bleek. Het was in die jaren 10 dat de eerste tangoplaten werden opgenomen. Legendarisch was het Orquesta Típica Victor, dat niet optrad maar als eerste grote orkest bekend werd door vele opnamen.

BANDONEON (vanaf 1910)

De bandoneon kwam al rond 1870 mee met Duitse immigranten (ontwikkeld door Heinrich Band in 1854), maar werd als oorspronkelijk mobiel orgel aanvankelijk gebruikt voor de begeleiding van kerkliederen, later voor polka’s en mazurka’s. De eerste (tango)bandoneonist was ‘El Pardo’ Sebastián Ramos Mejía, een koetsier, die rond 1910 café’s afging om iets bij te verdienen. Vele collega’s volgden, belangrijkste was Pedro Maffia en Domingo Santa Cruz. Het tempo van de tango werd trager, omdat de eerste bandoneonisten alleen nog maar het basisritme van de vierkwartsmaat beheersten. Later zouden de bandoneon het weemoedige tango-instrument bij uitstek worden, ritme en melodie in één instrument verenigd.

PARIJS (1910-1925)

De Tango reisde voor het eerst naar Parijs met Villoldo, Gobbi en vooral Canaro. De tango werd razend populair in les années folles van de jaren 20 die met zijn openlijke erotiek en artistieke klimaat gemaakt leek voor de tango. Rudolf Valentino was aanwezig bij een vroeg concert in Parijs in 1920. Hij danste op ‘El Choclo’ zijn eerste tango. Daarna stroomde de vloer vol, de eerste Europese tangodansavond was een feit. De tango beïnvloedde in Europa allerlei componisten, zoals Strawinski, Kurt Weill, Prokovjef. Daarna ging de tango verder naar Berlijn, Wenen, New York en Tokio. En uiteindelijk werd de tango ook in Buenos Aires volledig geaccepteerd.

CARLOS GARDEL (1915-1935)

De vroegste gezongen tango’s waren tamelijk vrolijk van toon en gebaseerd op de zarzuela, een Spaanse volksopera en plattelandsmuziek. Maar dan verschijnt Carlos Gardel ten tonele, die met collega José Razzano een soort verbale duellen zingen, een soort hiphop avant la lettre. In 1917 zingt Gardel voor het eerst ‘Mi Noche Triste’ van Pascual Contursi in Montevideo. Het publiek was met stomheid geslagen, wordt voor het eerst via een gezongen tango met de eigen gevoelens geconfronteerd. Een nieuwe norm was gevestigd met de persoonlijke, melancholieke tango. In datzelfde jaar speelt Gardel in zijn eerste film ‘Flor de Durazno’ (perzik). In 1925 vertrok Gardel naar Barcelona, Parijs en New York. In Parijs verkocht hij een tijdlang 25.000 platen per maand. Gardel ontmoet Josephine Baker en Maurice Chevalier en treedt toe tot de hogere kringen van Parijs. In 1935 verongelukt Gardel tijdens een vlucht in Cali, Colombia en werd een legende.

GUARDIA NUEVA (1925-1935)

De Guardia Nueva deed zijn intrede met Osvaldo Fresedo en Julio de Caro. Fresedo werd, voor platenopnames met Enrique Delfino, in de USA beïnvloed door de jazz muziek, speelde ook wel samen met Dizzy Gillespie. De Caro had een Sexteto Típico dat de basis zou vormen van de latere tango, ritmisch en polyfonisch. Alle instrumenten spelen zowel begeleiding als solo’s, tango werd een complex weefwerk, meer jazzy tango. Hij introduceert het pizzicato, het tokkelen op de viool en de chinchada’s, een typisch schuurgeluid op de hals van de viool. De Caro was de grote wegbereider voor vele latere tango-orkesten. De Caro beschikte over twee van de beste bandeonisten van zijn tijd: Pedro Laurenz en Pedro Maffia, die beiden later belangrijke orkestleiders zouden worden. Eind jaren 20 zakt de tango in door economische malaise en de opkomst van de geluidsfilm (minder werk voor de orkesten). Verder werd het decarisme als elitair gezien. De tango verliet de danszalen. Ook de opkomst van jazzmuziek betekende een voorlopig einde van de populariteit van de tango.

EPOCA DORADA (1935-1955)

In 1935 komt Juan d’Arienzo met een groot orkest in de stijl van de Guardia Vieja: groot succes. Hij werd ‘El Rey del Compás’ genoemd vanwege het stuwende ritme dat zijn muziek kenmerkt. De danszalen stroomden weer vol met duizenden dansers die nachtenlang doordansten.

Beroemde tekstschrijvers waren Homero Manzi en Enrique Santos Discépolo die het levensgevoel van de porteños prachtig konden vertolken en hun teksten doorspekten met liefdesverdriet, alocholisme en wrange humor.

De oorlogsjaren betekende een grote welvaart voor Argentinië. Het land leverde staal en wapens aan alle partijen die bij de Tweede Wereldoorlog betrokken waren. Radio en nachtclubs deden goede zaken. Tango hield zich staande naast de opkomende jazzmuziek en de jaren 40 zouden uitgroeien tot het Epoca Dorada, de gouden jaren van de tango. Vooral opkomst van orkesten met fantastische zangers als die van Angel d’Agostino, Lucio Demare, Carlos di Sarli, Alfredo de Angelis, Miguel Caló, Edgardo Donato, Ricardo Tanturí, Rodolfo Biagi, Mariano Mores en de comeback van Fresedo en Firpo. Zangers Edmundo Rivero, Raúl Beron, Alberto Castillo, Nelly Vazquez, Roberto Goyeneche, Jorge Vidal, Roberto Rufino e.a. De opkomst van de populistische president Juan Peron droeg bij aan het nationalistische karakter van de tango.

DE MAESTROS

Meester-bandoneonist en componist Aníbal Troilo was een vernieuwer die verder bouwde op de ideeën van de Caro, hij introduceerde de fueye cadenero, de typische Troilo-sound waarin hij begon met zijn spel en het hele orkest met zich meenam in combinaties van staccato en legato passages. Troilo beschikte over de beste arrangeurs uit de tangogeschiedenis: Astor Piazzolla, Emilio Balcarce, Juliá Plaza en Raúl Garello.  Bijzonder was ook de plaats van de zang in zijn composities, hij gaf de stem van het volk een plek, trouw als hij bleef aan zijn nederige afkomst. Francisco Fiorentino was zijn belangrijkste zanger. Troilo werd een poster in het Buenos Aires van de jaren 40.

Osvaldo Pugliese was een volgeling van Julio de Caro, hij was de meester van de dynamiek, wiens arrangementen uitblonken in dynamiek, stuwende bassen en lyrische violen. Het orkest Color Tango van Roberto Álvarez dat nog steeds toert, speelt nog vele arrangementen van Pugliese. Zijn eerste beroemde tango was ‘Recuerdo’ (1924). Tot op hoge leeftijd bleef Pugliese actief. In 1992 traden Pugliese en Piazzolla voor de eerste en enige keer samen op in Amsterdam. Pugliese is bijzonder geliefd bij optredende tangodansers, gezien de dynamiek van deze opzwepende muziek.

Astor Piazzolla begon als bandoneonist bij Troilo op 18 jarige leeftijd. Hij soleerde als eerste met de linkerhand. In 1960 formeerde hij zijn beroemde Quinteto en maakt furore met vele legendarische composities. In Parijs verzamelde hij een grote schare bewonderaars om zich heen met zijn jazzy tango (Tango Nuevo). In de avant garde composities van Piazzolla is wel verwezen naar het Strawinkiaanse polyritme en de Bartokiaanse dissonantie. Het grotere publiek keerde zich echter af van de modernistische benadering van zijn muziek en zwelgde in de nostalgie van de oude tango en de tango zakte weg in een diepe depressie mede ook door de opkomst van de popmuziek. Pas in de jaren 80 ontstaat een hernieuwde belangstelling voor Argentijnse Tango.

NEOTANGO, ELECTROTANGO & NON-TANGO

Rond 2000 beginnen jonge Argentijnen met het opnemen van vernieuwende tango-tracks. Ze combineren traditionele tango-instrumenten met electronische muziek, samples en percussie. De eerste was Gotan Project, gevolgd door Bajofondo Tangoclub, Narcotango, Otros Aires en Tanghetto. Ze toeren de afgelopen 15 jaar met succes de wereld rond langs de podia en de milonga’s. Deze eigentijdse tango muziek mag dan geen goedkeuring krijgen van de vele puristen die de tangoscene rijk is, maar de belangstelling onder met name jongeren voor hedendaagse ontwikkelingen binnen de tangocultuur is niet meer weg te denken.

Ook geheel andere muziek (die helemaal niets met tango te maken heeft, de zogenaamde non-tango) kan zeer geschikt zijn om op te dansen. Blues, singer-songwriters, fado of andere, vooral melancholieke songs worden door vele eigentijdse dansers omarmd.

Narcotango in concert